Plaatsen van een port-à-cath

Wat is een port-à-cath en wanneer wordt deze geplaatst?

Een port-à-cath – ook wel “poort” genoemd – is een volledig implanteerbaar systeem waarmee medicatie of infusen rechtstreeks in de bloedbaan toegediend kunnen worden. Het grote voordeel is dat men niet telkens opnieuw een bloedvat hoeft aan te prikken. Dit is vooral nuttig bij langdurige behandelingen waarbij frequent medicatie of chemo via een infuus nodig is. De port-à-cath wordt volledig onder de huid geplaatst, meestal ter hoogte van de borst, en kan op een veilige en eenvoudige manier worden aangeprikt met een speciale naald.

Hoe ziet een port-à-cath eruit?

Een port-à-cath bestaat uit twee hoofdonderdelen:

  1. De catheter: een dunne, flexibele slang die in een groot bloedvat wordt geplaatst.
  2. Het reservoir: een klein, rond kamertje met een zelfsluitend siliconen membraan, dat als toegangspoort dient voor toediening van medicatie.

Wanneer de therapie beëindigd is, kan de poort – indien nodig – via een kleine chirurgische ingreep verwijderd worden. In sommige gevallen kiest men ervoor om de poort gewoon te laten zitten, zolang deze geen klachten veroorzaakt.

Wanneer is een port-à-cath nodig?

Een port-à-cath wordt vooral geplaatst bij patiënten die gedurende een langere periode intensieve behandelingen nodig hebben. Denk hierbij in de eerste plaats aan patiënten met kanker die chemotherapie krijgen. Door herhaaldelijk prikken en de agressieve aard van bepaalde medicijnen raken de bloedvaten in de arm soms beschadigd of moeilijk toegankelijk.

Via de port-à-cath komen medicijnen rechtstreeks in het hart terecht. Daar vermengen ze zich meteen met het bloed, waardoor de schade aan de bloedvaten beperkt blijft. De medicatie kan via een eenmalige injectie worden toegediend (waarbij de naald snel wordt verwijderd), of via een infuus (dan blijft de naald langer ter plaatse). Het siliconenmembraan blijft na het verwijderen van de naald volledig waterdicht.

Hoe verloopt het plaatsen van een port-à-cath?

Het inbrengen van een port-à-cath gebeurt via een kleine chirurgische ingreep. Er wordt een sneetje gemaakt op de overgang tussen de schouder en de borst. Vervolgens zoekt de chirurg een geschikt bloedvat op, meestal een grote ader. De catheter wordt via dit bloedvat opgeschoven in de richting van het hart. Via röntgenopnames controleert men of de tip van de catheter correct gepositioneerd is net vóór het hart.

Daarna wordt het reservoir verbonden met de catheter en vastgehecht op de grote borstspier. Tot slot wordt de wonde gesloten met hechtingen die vanzelf verdwijnen. De wonde moet 10 dagen bedekt blijven met een pleister.

De ingreep gebeurt meestal onder algemene verdoving, maar op verzoek van de patiënt kan ook gekozen worden voor lokale verdoving.

Voorbereiding op de ingreep

  • Meld het aan de arts als je bloedverdunners gebruikt of allergisch bent aan pleisters, jodium of medicatie.
  • Zorg dat het huidgebied waar de poort geplaatst wordt schoon is.
  • Draag comfortabele en losse kleding.
  • Indien er algemene verdoving wordt voorzien, moet je nuchter zijn.
  • Verwijder sieraden op voorhand, zeker als deze zich in de buurt van het operatiegebied bevinden.
  • Regel begeleiding voor na de ingreep, want zelf rijden is vaak niet toegestaan.

Nazorg en aandachtspunten

  • Je mag douchen of de huid wassen wanneer er geen naald in het reservoir zit.
  • Merk je blauwe plekken, zwellingen, roodheid of irritatie aan de insteekplaats op? Meld dit dan onmiddellijk aan je arts of verpleegkundige.
  • Indien de poort langere tijd niet gebruikt wordt, moet deze toch elke vier weken gespoeld worden.
  • Enkel een verpleegkundige of arts mag de port-à-cath aanprikken.