Anesthesie / verdoving

Binnenkort moet je een operatie ondergaan, dit gaat natuurlijk niet zonder verdoving! Met behulp van de moderne anesthesie-technieken kan je lichaam de operatie aan. De anesthesist zorgt dat je absoluut niets voelt van de ingreep en let op jou tijdens de ingreep.

“Anesthesie” betekent letterlijk “gevoelloosheid” en is de verzamelnaam van alle soorten verdoving. Er zijn verschillende  vormen van anesthesie : algemene anesthesie of narcose, regionale anesthesie (bijvoorbeeld de ruggeprik), lokale anesthesie.

De anesthesist :

De anesthesist is een specialist en vormt samen met de chirurg en de verpleging het “operatieteam”. Tijdens de operatie zorgt de anesthesist voor de verdoving en zorgt dat het lichaam blijft functioneren. Hij/ Zij neemt de controle over je lichaam, zodat de chirurg rustig zijn werk kan doen en je de operatie goed doorstaat. Met behulp van speciale apparatuur bewaakt en regelt de anesthesist onder andere jouw bloeddruk, hartslag en ademhaling. Verder houdt hij/zij jouw vochtgehalte op peil en zorgt dat je bloed krijgt toegediend bij veel bloedverlies.

Voorbereiding 

Voor de operatie vul je een blad in met vragen over conditie, voorgeschiedenis, medicijngebruik, allergieën, eerder doorgemaakte operaties en reacties hierop. Dit blad belandt uiteindelijk bij de anesthesist voor de operatie en hij/zij zal met je kennismaken en de lijst bespreken. De anesthesist zal ook het electrocardiogram en de bloedname bekijken, deze zijn verplicht te gebeuren bij oudere patiënten voor de operatie.

Voor een algemene verdoving moet je nuchter zijn. Belangrijke medicijnen neem je in met een weinig water de ochtend van de operatie. Het is best te stoppen met roken (6 weken op voorhand), zodat de kans op longproblemen na de operatie vermindert. 

Soorten anesthesie

Algemene anesthesie of narcose : 

Indien je voor de ingreep veel stress of onrust ervaart kan een kalmerend middel gegeven worden indien je dit wenst. Eens je aankomt in het operatiekwartier word je in de voorbereidingskamer ontvangen door de operatieverpleegkundige. Zij overloopt met je jouw persoonsgegevens, voor welke ingreep je komt (en welke zijde) en of je nuchter bent. De verpleegkundige zal het infuus prikken waarlangs medicatie en vocht toegediend wordt. Eens in de operatiekamer zelf word je aan de monitor gekoppeld; kleefpleisters voor het hartritme, een knijper op de vinger voor het zuurstofgehalte in het bloed en een band aan de bovenarm voor de bloeddruk. De anesthesist overloopt met je nogmaals jouw medische voorgeschiedenis en brengt je onder narcose met behulp van medicatie via het infuus.
Tijdens de ingreep wordt de narcose onderhouden door inhalatiegassen of medicatie via het infuus. Hier horen ook pijnstillers en spierverslappers bij.

Jonge kinderen worden eerst met inhalatiegassen in slaap gebracht voor een infuus geprikt wordt, dit vermindert het traumatisch effect van het hele gebeuren. 

Regionale anesthesie :

Hierbij wordt een gebied (arm, been, onderste ledematen en bekken,…) geheel verdoofd. Krachtsverlies is vaak een gevolg van deze verdoving en is tijdelijk. Tijdens de ingreep krijg je een lichte roes of kan je wakker blijven als je dit wenst.

Het aanbrengen van de verdoving gebeurt met een prik onder geleide van echografie en doet niet meer pijn dan een gewone injectie.

Lokale anesthesie : 

Hierbij wordt een verdovingsmiddel ingebracht met spuit en naald door je chirurg zelf. Deze techniek wordt vaak gebruikt bij kleinere ingrepen. De verdoving werkt anderhalf tot twee uur in totaal.

Na de operatie :

Als de ingreep beëindigd is maakt de anesthesist je wakker en word je naar de ontwaakzaal gebracht. Daar word je nog aan de monitor (bloeddruk, hartslag, zuurstofgehalte) gelegd tot je wakker genoeg bent om naar de kamer te gaan.

Soms is er een schor of licht pijnlijk gevoel in de keel. Dit is mogelijk na een intubatie en gaat vanzelf weer weg, een pijnstiller kan zeker om de klachten hiervan te verlichten.